Omdat Wilders geen antwoord kreeg van de ministeries op zijn vraag “wat kost een allochtoon?”, heeft hij en de PVV het onderzoeksbureau NYFER opdracht gegeven deze kosten te berekenen.
Woensdag 19 mei 2010 presenteerde NYFER dan eindelijk de resultaten van het onderzoek naar de ‘Budgettaire effecten van immigratie van niet-westerse allochtonen’. Nu de ‘feiten’ bekend zijn is de vraag wat Wilders er als politicus mee gaat doen.
Aanvaardbaarheid budgettaire analyses
Zoals Pechtold al aangaf “moet je onderzoek naar feiten niet tegenhouden” (RTLZ.nl, 19 mei 2010). Het zijn niet zozeer de onderzoeksresultaten die een probleem vormen maar de wijze waarop anderen deze gegevens gebruiken. Daarnaast is het ook niet de eerste keer dat er onderzoek is verricht naar de kosten van immigratie voor de Nederlandse economie. Het Centraal Plan Bureau (CPB) publiceerde in 2003 al een onderzoek met de titel ‘Immigration and the Dutch Economy’.
Het is ook niet ondenkbaar dat onderzoek naar kosten nieuwe inzichten kan opleveren over de effecten van beleidskeuzes. Daarbij, als je gelijke kansen wenst voor iedere Nederlander dan wil je toch ook weten hoe het staat met die gelijke kansen?
In haar column van 22 mei 2010, maakte Maria Genova uit reflex dezelfde vergissing als destijds het kabinet. Het is namelijk niet de vraag hoe ethisch een budgettaire analyse is maar het is de vraag of het doel waarvoor de cijfers worden gebruikt ethisch is.
Het is precies dezelfde verwarring die door Wilders heel slim wordt uitgespeeld. De weerzin om over kosten te praten bevestigt namelijk onbedoeld het beeld dat kosten onbelangrijk zijn of een ‘bijzaak’. Dat hierdoor immigratie als ‘linkse hobby‘ wordt weggezet is dan ook niet heel verassend te noemen.
Ook komt het Wilders goed uit dat er niet over kosten wordt gepraat want een discussie over de morele aanvaardbaarheid van zijn eigen voorstellen zal voor hem een stuk lastiger zijn.
Niet westerse allochtonen?
De belangrijkste conclusie van het onderzoek was voor Wilders dat de directe effecten van immigratie van niet westerse allochtonen 7,2 miljard euro bedraagt. Maar wat zijn dan eigenlijk niet westerse allochtonen?
Het lijkt erop dat NYFER (2010) gekozen heeft voor de CBS definitie:
“Niet westerse allochtonen zijn personen die zijn geboren in Afrika, Latijns-Amerika en Azië (exclusief Indonesië en Japan) of Turkije, of van wie ten minste één van de ouders in die landen is geboren. De belangrijkste groepen niet-westerse allochtonen zijn afkomstig uit Turkije, Marokko, Suriname en de Nederlandse Antillen en Aruba. Gezamenlijk maken zij circa 65% van de niet-westerse allochtonen uit” (pagina 18).
Als Wilders zonder nuance het cijfer van 7,2 miljard euro gebruikt dan hebben zijn uitspraken ook betrekking op Surinamers, Antilianen en Arubanen. Men zou zich dus kunnen afvragen of de opvattingen van Wilders aan het veranderen zijn.
Tot slot, omdat NYFER de kosten niet heeft uitgesplitst naar specifieke bevolkingsgroepen, is het voor Wilders niet mogelijk om de gezamenlijke kosten aan één enkele bevolkingsgroep toe te schrijven.
Beperkingen van het onderzoek
Wie met onderzoeksresultaten werkt moet zich ervan bewust zijn dat wetenschappelijk onderzoek ook beperkingen heeft. Niet alles kan zomaar voor ‘waar’ worden aangenomen. Elk onderzoeksrapport moet dus met een kritische blik worden gelezen om de samenhang tussen de cijfers te ‘doorgronden’ en de achtergronden te begrijpen.
In het onderzoeksrapport benoemt NYFER een vijftal beperkingen van haar budgettaire analyse (pagina 24 – 25) :
1) Het onderzoek heeft ‘partieel karakter’, er wordt niet gekeken naar indirecte effecten van immigratie op overheidsinkomsten en uitgaven.
2) Het onderzoek kijkt enkel naar de economische effecten en niet naar sociale, humanitaire of internationaalrechtelijke overwegingen.
3) Onderzoek kijkt niet wat immigratie betekent voor het land van herkomst voor wat betreft kosten en baten (braindrain, inkomensgiften, positieve handelsbetrekkingen)
4) Het onderzoek kijkt enkel naar niet westerse allochtonen terwijl dit maar 40% is van de totale groep van immigranten (EU).
5) Het onderzoek is retrospectief, op basis van cijfers uit het verleden waarbij wordt aangenomen dat er geen beleidswijzigingen of trendbreuken plaatsvinden.
Voor Wilders komen daar nog een aantal beperkingen bij. Ten eerste heeft NYFER niet berekend wat de overheid kan ‘besparen’ door immigranten te weigeren. Een eventuele ‘besparing’ zou zelfs gering kunnen zijn omdat een ’immigratiestop’ geen verandering brengt in de situatie van immigranten die reeds in Nederland verblijven.
De tweede beperking zijn de bijkomende hoge kosten voor de handhaving van een ‘immigratiestop’ (NYFER, pagina 72). Volgens het rapport zijn de kosten van het huidige vreemdelingenbeleid ongeveer 1 miljard euro per jaar (NYFER, pagina 31). Wanneer ook de kosten van “westerse allochtonen” worden meegenomen blijken deze kosten zelfs 2 miljard euro te bedragen (NYFER, pagina 114). Omdat NYFER niet heeft becijferd hoeveel de handhaving van een ‘immigratiestop’ kost is ook niet duidelijk met hoeveel de kosten van het vreemdelingenbeleid zullen gaan stijgen. Of Wilders werkelijk zoveel kan besparen als dat hij suggereert is dan ook maar de vraag.
De derde en belangrijkste beperking voor Wilders is dat vanwege internationale verdragen het niet zomaar mogelijk is om grenzen te sluiten (NYFER, pagina 72). Omdat deze internationale verdragen ook veel voordelen opleveren is opzeggen ervan eigenlijk ook geen reële optie.
Nog meer tekortkomingen?
In het NYFER rapport wordt de “gemiddelde” niet westerse allochtoon vergeleken met de “gemiddelde” Nederlander. Hier doet zich een ‘probleem’ voor dat mogelijk nog belangrijker is dan de eerder beschreven beperkingen.
Wanneer twee populaties met elkaar worden vergeleken zijn niet alleen de gemiddelden van belang maar ook de samenstelling van de twee populaties. Eenzelfde samenstelling, of spreiding binnen de populaties maakt het eenvoudiger verschillen in gemiddelden toe te schrijven aan het ‘functioneren’ van een populatie.
Als er mensen met een bepaalde sociaaleconomische positie onder- of oververtegenwoordigd zijn heeft dit ook gevolgen voor het gemiddelde en de spreiding van de populatie. De vraag is dan of de twee ’verschillende’ populaties wel met elkaar vergeleken kunnen worden?

Op grond van de beschikbare gegevens wordt aangenomen dat de groep immigranten in Nederland eenzijdig is samengesteld waardoor een deel van de populatie ‘ontbreekt’. Door een ondervertegenwoordiging van mensen met een hoge sociaaleconomische positie kan men eigenlijk niet meer van een ‘complete’ populatie spreken. Omdat de ‘gemiddelde’ Nederlander wel op een ‘complete’ populatie is gebaseerd zal het ook niet verassend zijn dat het ‘gemiddelde’ inkomen van ‘niet westerse allochtonen’ lager is dan het inkomen van de gemiddelde ‘Nederlander’. Het zou beter zijn geweest als NYFER voor de vergelijking van ‘niet westerse allochtonen’ had gekozen voor een overeenkomstige subpopulatie ‘Nederlanders’.

Sociaaleconomische achterstand
NYFER concludeert dat “de gemiddelde arbeidsparticipatie en het gemiddelde inkomen van niet westerse allochtonen [achterblijft]“ (NYFER, pagina 42) en zij vaker een beroep doen op sociale voorzieningen zoals bijstand en zorg (NYFER, pagina 8). Hierdoor is ”de netto bijdrage aan de publieke financiën negatief” (NYFER, pagina 8). Bepalend voor deze kosten zijn volgens het NYFER rapport: de leeftijd van binnenkomst, de sociaaleconomische positie, de mate van integratie (arbeidsparticipatie), en de verblijfsduur (NYFER, pagina 8).
Het NYFER rapport bevestigt dat er sprake is van een sociaaleconomische achterstand van immigranten ten opzichte van autochtone inwoners (NYFER, pagina 58). Volgens NYFER zijn deze achterstanden voornamelijk in stand gebleven doordat er “te laat en onvoldoende consequent ingezet op integratie door middel van arbeidsparticipatie“ (NYFER, pagina 84). Er zijn “op de lange termijn .. wel positieve tendensen zichtbaar, maar deze ontwikkelingen kosten tijd” (NYFER, pagina 58). Met name “de tweede generatie heeft in de afgelopen tien jaar vooruitgang geboekt” en een deel van de sociaal economische achterstand ingehaald (NYFER, pagina 60).
Maar de sociaaleconomische achterstand is daarmee nog niet definitief ingehaald. Niet alleen de ”arbeidsmarktpositie van niet westerse allochtonen blijkt gevoeliger voor de conjunctuur dan die van gemiddelde Nederlander” (NYFER, pagina 93), ook bestaat er nog een groep mensen waarbij de arbeidsparticipatie wordt gehinderd door taalachterstanden, ineffectieve inburgeringcursussen en segregatieverschijnselen (NYFER, pagina 60). Er is dus nog veel te doen om ook deze mensen bij de maatschappij te betrekken.
Slot
Met deze bevindingen onderschrijft het rapport tevens de huidige opvattingen over het belang van participatie bij het verbeteren van de sociaaleconomische positie. Naast de positieve ontwikkelingen laat het rapport ook zien dat er nog veel winst te behalen valt met betrekking tot onderwijs en arbeidsparticipatie. De sociaaleconomische achterstand van immigranten is duidelijk niet gebaat met rustig afwachten.
Daarmee sluit het rapport mooi aan op de woorden van Joris Backer, zoals opgetekend door Pim van Mierlo in de Democraat van mei 2010 :
“Voor ons [D66] is participatie cruciaal en dat begint vooral met sociaal economische ingrepen. Je moet extra kansen bieden, extra stimuleren en gericht investeren” (pagina 33).
Kortom, en helaas voor Wilders, het kan dus wel anders!
Gebruikte bronnen
Gerelateerde artikelen
spelenrolinhetkrijgenvanhartenvaatziekten.aspx

